March 30, 2012

Stadslandbouw moet nog een beetje rijpen

Tomaten uit eigen tuin, bladsla uit die van de buren en vlees van de koe uit de nabije omgeving; zo ziet het scenario van stadslandbouw eruit. In de stedelijke omgeving duiken steeds vaker groene daken, hangende tuinen en tomatenbermen op. Maar is er in Utrecht ruimte genoeg voor dit “nieuwe volkstuinieren” en wat winnen we er eigenlijk mee? Is het gezonder, goedkoper, lekkerder?
Die vraag stond centraal tijdens het debat op 30 maart in het werklandschap Rotsoord. Onder de titel Brokkelkaas en Jonge spruiten spraken Jan Willem van der Schans (landbouweconoom Universiteit Wageningen en initiatiefnemer van Eetbaar Rotterdam), Garmt Dijksterhuis (sensatie en perceptie expert bij Unilever) en Lars Charas (kok, fruitteler en landbouw toekomstvoorspeller) over de mogelijkheden van stadslandbouw.

NOS kopte onlangs dat de sterke groei van stadslandbouw gerelateerd zou zijn aan de crisis? Is het daadwerkelijk goedkoper eigen boontjes te doppen? Volgens landbouweconoom Jan Willen van der Schans moet de winst eerder gezocht worden in het feit dat veel kantoorgebouwen leeg staan. “Voor gemeentes is het erg gunstig die lege plekken te benutten en dat kan wat hem betreft zeker met stadslandbouw. Een kantoorgebouw biedt uitstekende omstandigheden; er heerst een constante temperatuur en de lichtinval is meestal bijzonder goed. Ik geloof zeker dat het ‘vijfde-seizoen- project van ontwerper Nienke Sybrandy over het verbouwen van groenten en fruit op de kantoorgebouwen veel kans van slagen heeft. Maar ook de stad zelf beschikt over genoeg lege plekken; bermen, groenstroken of parkeerplaatsen kunnen makkelijk ‘vergroenen’, net als de platte daken van veel huizen in de stad.”

Het grote voordeel van groenten en fruit in de stedelijke omgeving verbouwen is volgens Van der Schans dat de gewassen precies op het juiste moment geoogst kunnen worden, en niet, zoals nu een paar dagen te vroeg omdat ze nog getransporteerd moeten worden. “Door beperkte transporttijd en het feit dat we met onze neus letterlijk op de producten staan, krijgen we versere producten”, aldus Van der Schans.

De relatie tussen tijd en kwaliteit komt vaak terug deze avond. Veel verse aanplant, jonge producten krijgen vaak een hogere kwaliteitsstempel. Daarentegen geldt voor kazen en wijnen dat ze juist moeten rijpen om aan kwaliteit te winnen. Waar ligt de tijdsgrens? En proeven we eigenlijk wel het verschil?

Het forum en publiek wordt aan een smaaktekst onderworpen. Kunnen ze het verschil tussen belegen en gerijpte kaas goed achterhalen? Het blijkt lastig, niet in de laatste plaats omdat de kazen op het proefbord qua kleur misleidend zijn. De donkergele variant zou op het oog het oudste zijn, maar blijkt toch jonger dan de bleekgele kaas die van geitenmelk blijkt te zijn gemaakt.
Voor het proeven neem je de hele omgeving mee vertelt Garmt Dijksterhuis; de omgeving waarin je proeft, het gezelschap waarmee je proeft, je eigen ervaringen en verwachtingen; dat hele palet bepaalt de smaaksensatie en intensiteit. Het werklandschap Rotsoord is wat hem betreft een prima proefomgeving niet in de laatste plaats vanwege het geïnteresseerde publiek.

KWALITIJD, jonge spruiten & brokkelkaas. Uit de serie verkennende gesprekken over het Nieuwe Werklandschap Rotsoord.

Het verschil tussen de stadse biologische tomaten en de kweektomaten van de supermarkt is wel goed traceerbaar. Lars Charas experimenteert zelf met supermarkt tomaten, die nu al ruim 5 weken op de vensterbank liggen. “Ze zien er nog steeds goed uit; dat kan echt niet kloppen.”
Is de stedelijke omgeving echter wel zo gezond dan? Veel stedelijke grond is vervuild en er is nauwelijks bodemtoezicht. Boerenlandbouwgronden worden continue gecontroleerd en moeten bepaalde periodes braak liggen om aan kwaliteit te winnen. Volgens Jan Willem van der Schans moeten we daar beslist niet te kleinzielig over doen. “ Ik zou zeggen gewoon beginnen. De stadse grond is van prima kwaliteit.”
Toch geeft hij wel aan dat de boeren intensief betrokken moeten worden bij stadslandbouw. We hebben hun kennis en expertise hard nodig. Ook Charas denkt dat de stedelijke parttime boeren regelmatig van advies moeten worden voorzien. Boeren kunnen die rol zeker gaan vervullen.
Hoe voorkomen we echter dat we straks allemaal radijsjes gaan verbouwen en we nauwelijks nog spruitjes krijgen? Wie houdt het overzicht en de regie? Moeten we niet zorgen voor een ruimtelijke eetordening? Ook daarover is Van der Schans nuchter; verbouw gewoon waar je zin in hebt. De variëteit zal in eerste instantie het probleem niet zijn. We moeten ook niet verwachten dat stadslandbouw de gewone landbouw meteen gaat overnemen. Het voegt gewoon veel toe aan de stad; niet alleen goede en verse producten, maar zeker ook een belangrijke beleving. Iedereen weet dat het samen tuinieren goed is voor het wijk-en buurtcontact en een beetje wroeten in de tuin is beslist gezond voor de stressvolle stadsbewoners.” Op termijn is het overigens wel bevorderlijk dat de Nederlandse overheid zich gaat bezig houden met deze eetordening. In andere landen is dit een wezenlijk onderdeel van het ruimtelijke ordeningsbeleid.

Hoe ziet de toekomst van Utrecht er volgens het forum uit? Is de stad over tien jaar daadwerkelijk een hof van ede? Lars Charas ziet vooral kansen voor de visvangst in en om Utrecht; Nederland moet zich volgens hem veel meer op schaal en schelpdieren concentreren, want de veeteelt is onhoudbaar. Van der Schans en Dijksterhuis delen de visie dat de intensieve veeteelt in Nederland onhoudbaar is, maar zien nog niet zoveel brood in de visvangst. Wel is het forum ervan overtuigt dat we een flink groenere stad zullen gaan creëren; daktuinen, geveltuinen, balkontuinen staan nog maar in de kinderschoenen; als we de ideeën over groenbebouwing een beetje laten rijpen dan kunnen we zeker een weelderig groene en voedzame stad krijgen.

door Danielle Arets

Ester van de Wiel, Utrecht Manifest, Werklandschap EET